Welk proefwerk ?

 

 

    In de vorige aflevering vertelde ik je al iets over Kees. Tot het moment dat ik op achttienjarige leeftijd het huis uitging, heb ik met Kees het grootste deel van mijn Hulsterse jeugd gesleten. Je kwam ons overal tegen, want het grootste deel van de tijd verplaatsten wij ons liftend over de wegen van Zeeuws Vlaanderen. Van Nieuw Namen, waar ik een tijdje een vriendinnetje had zitten, tot Cadzand, waar Kees kennis had aan een meisje. Over dat liften alleen al zou ik je bladzijden kunnen schrijven, maar dat doe ik niet. Ook niet over diverse vriendinnetjes, dat komt pas in de laatste aflevering.

    Kees en ik waren dus de meeste tijd onafscheidelijk. Ofwel zaten we bij hem thuis te musiceren of we vermaakten ons al volleyballend bij Morres. Voor die tijd kende ik hem niet of nauwelijks. Hij maakte, evenals ik, deel uit van een grote vriendenploeg in het Hulsterse centrum. Pas toen die ploeg besloot om een club op te richten waarbij je pas toegelaten werd als je een bepaald lichaamsdeel zou laten zien, besloten wij daar niet aan mee te doen en ons af te splitsen.
    Daar ben ik later erg blij mee geweest, want we hebben samen een berg gelachen en meegemaakt. Als ik daar nu nog aan terugdenk ...

    Samen doorliepen wij de eerste drie klassen van het VWO aan het Jansenius Lyceum in Hulst. Lieverdjes waren we niet echt; er waren leerkrachten bij die ons wel konden schieten. Wij vonden zelf natuurlijk dat dat allemaal wel meeviel en dat men zich daar verder maar niet druk over moest maken. Ik meen me te herinneren dat vooral de leerkrachten Duits en Frans het meest te stellen had met ons en ook de leerkracht natuurkunde (een Belg) kon mij, volgens de berichten, vele jaren later nog herinneren. Aan de andere kant waren wij best voorbeeldig en bezorgden de leraar Nederlands op vijf december een cadeautje voor zijn deur. Ik denk, nu zo'n dertig jaar later, dat de populariteit van leerkrachten te maken had met de mate waarin je dat vak interessant vond. Wij kenden dus interessante vakken, oninteressante vakken en volkomen nutteloze vakken. Godsdienst vonden wij dus een volkomen nutteloos vak. Je zat er je tijd te verdoen, stak er vrijwel weinig van op en in die tijd waren wij zelf veel te veel bezig om antwoorden te zoeken op allerlei vragen die ons op dat moment bezig hielden. Maar toch gingen wij naar die godsdienstlessen.

    De lessen godsdienst werden gegeven door een pater. Pater Schreuder heette die en die had zelf ook al haarfijn in de gaten dat het geven van godsdienst aan vijftienjarigen geen eenvoudige opgave was. Hij besloot er dus zijn eigen draai aan te geven. De pater, welke sprak met een Gronings accent, luisterde de lessen vaak op door het draaien van platen. Platen van Fons Jansen, een cabaretier uit die jaren. Die pater genoot zelf nog het meest, hij kende de platen uit zijn hoofd. En bij het horen van de eerste woorden, zakte hij breedlachend onderuit en stak een sigaar op. Aan de hele mimiek op dat patershoofd kon je eigenlijk al zien dat er iets leuks op komst was. En keer in de zoveel tijd mochten wij ook meeroken. Je mocht je tabak dan meenemen in de klas en een sigaretje opsteken. Je begrijpt dat wij die lessen, ondanks het feit dat we dat vak nutteloos vonden, wel bijwoonden.

    Maar ja, er moest ook een punt op je rapport komen. Dus werden er van tijd tot tijd proefwerken gehouden over bepaalde stof. Tot op heden weet ik me nog niet te herinneren over wat voor leerstof dat nu precies ging, want ik heb daar nooit een letter van geleerd. Dat proefwerk godsdienst was in zoverre belangrijk dat het punt wat je behaalde op alle drie de rapporten kwam. Een onvoldoende zou dan ook jammer zijn.
    Kees en ik besloten deze keer nu eens niet af te kijken, ook spraken we geen gebarensystemen af zoals we dat bij multiple-choice-overhoringen vaak deden. Nee, deze keer besloten we maar gewoon eens te gaan schrijven. Alleen, dat ging nergens over, maar dat wist die pater niet en hij heeft het ook nooit geweten ook, want aan het einde van de les ging dat papier op slinkse wijze als een propje onze schooltassen in. Vriendelijk groetend legde ik het stapeltje proefwerken van mijn rij op zijn bureau.

    En natuurlijk waren wij zeer verontwaardigd die volgende week toen de proefwerken uitgedeeld werden. Waar zijn die van ons gebleven ?, vroegen wij ons met zeer onschuldige gezichten af. Nee, (nog erger) wij verweten die pater onzorgvuldig te zijn omgesprongen met onze proefwerken, want wij hadden immers niet voor niets geleerd. Ook in de daaropvolgende lessen moest hij ons het antwoord schuldig blijven, maar beloofde ons steeds nog eens goed te zoeken.
    En zo kwam het dat Kees en ik op een moment dat we niets anders te doen hadden, die pater eens thuis gingen opzoeken. Of hij al iets meer wist over onze vermiste proefwerken. We mochten verder komen en keuvelden over koetjes en kalfjes bij een kopje koffie. Aan het einde van het bezoekje gaf hij toe onze proefwerken te zijn kwijt geraakt, maar nog wel de punten in zijn agenda had weten te achterhalen. Ik had een zeveneneenhalf en Kees maar liefst een acht. Zeer tevreden gingen wij weer naar huis.

    De muziek


    Omdat wij in die tijd zoveel met muziek in de weer waren, hadden we er ook een handje van om in bepaalde situaties een passende songtekst te citeren of te zingen. Een tweetal weet ik me nog te herinneren. Bij liftpartijen waarbij het niet opschoot zongen wij een bepaald fragment uit 'Vincent' van Don McLean ('Perhaps they'll listen now') en bij het verlaten van het huis van de pater zongen wij, nadat wij ons vergewisten van het feit dat de voordeur goed dicht zat, een stukje van The Doobie Brothers.

 

 









Ron Meuldijk  2009-2011

 MindPhasing