Kermis

 

 

    Ik moet, denk ik, al van jongs af aan geobsedeerd zijn geweest van het fenomeen kermis. Volgens de familieverhalen, ik weet daar zelf weinig meer van, ben ik als driejarige ooit eens onderdoor de tuinafrastering gekropen om in m'n eentje naar de kermis te gaan. Aan het einde van het tripje hebben mijn ouders me op moeten halen op het politiebureau in Hulst. Kleine Ron als gevonden voorwerp dus.
    Tweemaal per jaar was het kermis bij ons in Hulst. Het tweede weekend van mei en het eerste weekend van oktober. De eerste viel samen met moederdag en de tweede was altijd in de buurt van mijn moeders verjaardag. In eerste instantie niet zo belangrijk zou je denken, Voor mij wel. Vooral rond mijn moeders verjaardag was er nogal wat bezoek en dat leverde soms wel wat meer kermisgeld op. Pree noemden wij dat en dat werd grif opgemaakt op die Hulsterse kermis op de markt.
    Nu was ik niet zo'n mannetje die allerlei wilde kermisattracties opzocht, maar meer de gokspelletjes. Zelfs nu nog kan ik het vaak niet laten om even wat in die apparaten te gooien waarin een grijpertje mogelijk een prijsje voor je pakt.
    De meeste aantrekkingskracht had de grote tent onderaan het stadhuis met de botsautootjes. Niet zozeer vanwege die botsautootjes, maar er was daar altijd wel wat te zien of te beleven. Op latere leeftijd was ik er dan ook vaak te vinden samen met een aantal maten, geleund tegen een pilaar en genietend van de oliebollen- en wafelluchten, de bedrijvigheid, een sigaretje, maar vooral van de muziek die er uit die enorme installatie schalde. Dat maakte op mij een enorme indruk en ik denk dat dit mede een oorzaak is geweest voor mijn verdere liefde voor muziek.
    Ik moet zo'n veertien jaar zijn geweest toen ik er weer was, samen met Kees, een muzikale makker, die ik nu nog wel eens zie. Over hem zul je waarschijnlijk in een volgende aflevering meer lezen. En, zoals wij dat zo goed konden, leunden we tegen de pilaren bij de botsautootjes, onze hoofden zachtjes deinend op de maat van de muziek en gewapend met een peukje. Tot onze grote verbazing reed daar, welhaast onherkenbaar door een te grote zwarte zonnebril, Willie Burm.

     

    Willie Burm had samen met mij de kleuterschool doorlopen. Hij was dan ook vaak degene die ervoor zorgde dat ik reeds op die vroege leeftijd de gehele hoek van het lokaal uit het hoofd kende, vanwege de tijd die ik er door had gebracht. Ik lag met die jongen altijd overhoop, waarbij ik het niet kon laten om enkele knopen van zijn jas te rukken en op het laatst zelfs het pompoentje van zijn wintermuts. Nee, geen beste maatjes.
    Toch ben ik er in de lagere schoolperiode nog eens wezen spelen, herinner ik me. Hij woonde op een boerderij van iedereen verlaten, had zodoende weinig vriendjes, maar beloofde me een cadeautje als ik met hem zou komen spelen. Ik moest er op mijn Persil-fietsje (kon je sparen bij een wasmiddel destijds) een hele wereldreis voor maken. Je raadt het, geen cadeautje, maar toch was het verblijf op die boerderij best leuk.
    Het leuke is, dat wij later zijn verhuisd naar een nieuwbouwwijk en precies tegenover die boerderij kwamen te wonen. Toch had ik die jongen verder niet meer gezien of gesproken.

     

    En daar reed ie. Een beetje macho, een handje aan het stuur en de ander nonchalant achter de zitting van zijn botsautootje. Kees en ik verbaasden ons over het feit dat er van die jongen dan toch nog iets terecht was gekomen, alhoewel wij al wat dubbel lagen van die verschijning, dat hadden we niet verwacht. Wat die jongen niet verwachtte was dat er een ander met een rotgang achter op hem reed. Daar zijn die botsautootjes nu eenmaal voor bedoeld. Helaas was zijn zonnebril er niet op berekend, want die vloog van zijn hoofd en kletterde op de vloer van de tent. En wij kwamen niet meer bij natuurlijk. Onze dag kon niet meer stuk. Maar Willie liet zich niet uit het veld slaan, stuurde al even nonchalant in een grote bocht richting zonnebril en liet alvast een arm uit het autootje hangen om met een mooie zwaai het brilletje van de vloer te vissen. Nu rijden er wel meer autootjes in die tent en die mensen gaan heus niet kijken of er al dan niet iets op de grond ligt. Willie kon nog net dat ene autootje ontwijken dat op zijn bril afstevende, twee handen aan het stuur nu. Nog één keer keek hij beteuterd om naar het hoopje bril, dat even tevoren nog deel uitmaakte van zijn verschijning.
    En wij ? Als er één moment in mijn leven is geweest dat ik van het lachen in mijn broek had moeten piesen, dan was het wel toen geweest.

     

    De muziek

     

    Mede door het veelvuldige verblijf bij die botsautotent besloot ik mijn allereerste plaatje te kopen, dat me nu nog steeds herinnert aan de kermis. Gek hè, maar dat blijft zo denk ik. Een Nederlandse band, Brainbox genaamd, hadden in negentiennegenenzestig een hitje dat ik ook in dat jaar kocht. Ik vond het overigens een goede band en ben ze lang blijven volgen. Kazimier Lux en Jan Akkerman maakten hiervan deel uit. Jan Akkerman is even later door het blad Music Maker uitgeroepen tot 's werelds beste gitarist. Ik mag hem zelfs nu, hoewel wat minder wild, nog graag horen.

     

 

 









Ron Meuldijk © 2009-2011

 MindPhasing